Limburgs handwerk

Ik beëindigde mijn vorige rubriek met de belofte dat ik u werk zou laten zien van andere problemisten op de (door mij bewerkte) motieven. Het ging daarbij om de volgende standen:

 1.                                  2.

     

Toen ik de probleemdatabase opende, schrok ik van de geweldige hoeveelheid materiaal die over mijn arme hoofd werd uitgestort. Op het eerste motief vond ik liefst 374 bewerkingen en op het tweede 178. Ik besloot om alleen die problemen te bekijken waarin schijf 6 van zwart niet gemist kon worden. “Figurant” noemen ze een schijf in zo’n geval. Eigenlijk stond ik er versteld van, hoeveel problemen ik na die eerste selectie kon weggooien. Veel problemisten hadden niet de moeite genomen om de hoekschijf actief in het spel te betrekken.

Toch was ook nu de klus nog veel te groot. Mijn voornemen om alle problemen die me aanspraken op diagram te zetten, moest ik laten varen. Een gepensioneerde kan weliswaar over zijn eigen vrije tijd beschikken, maar hij moet ook de gelegenheid houden om andere leuke dingen te doen.

Opeens kreeg ik een idee. Ik zag een paar namen op het scherm voorbijkomen, die mij verbaasden en ik besloot om uitsluitend problemen te selecteren die gemaakt waren door Limburgse problemisten, of mensen die een poos in Limburg gewoond hadden. Daarbij kwam ik tot verrassende ontdekkingen.

De problemen 1 t/m 6 zijn gebaseerd op het eerste motief, 7 en 8 op stand 2.

 1. F.Okrogelnik                  2. J.Scheijen                    3. J.Waltmans                  4. B.Fermin

                 

 5. H.Velraeds                    6. J.Lewkowicz                 7. P.Jongeneelen             8. J.Scheijen

                 

Oplossingen:

1. 29-24, 28-23, 47-41, 20-14, 14x1, 1x7, 26-21

“Een probleem van Ferdi Okrogelnik?” zult u denken. Nee, niet van de Ferdi, maar van zijn vader Ferdinand. In 1956 ben ik samen met Jan Scheijen bij hem op bezoek geweest. “Okrogelnik- Nagornik”, zo liet hij zich noemen, met een trotse referentie aan de Hongaarse landadel, waar hij vanaf stamde. Okrogelnik sr. was smid in het Duitse Alsdorf. Jan Scheijen en ik hadden ieder een paar pakken koffie bij ons, want Jan, als politieagent, zou toch niet aan de grens gecontroleerd worden. De koffie was in die tijd in Duitsland veel duurder dan in Nederland. Sommige smokkelaars zijn rijk geworden van het prijsverschil.

Na zijn scheiding was senior in Duitsland gaan wonen, terwijl zijn zoons bij hun moeder in Hoensbroek bleven. Hoe goed senior zelf kon dammen, weet ik niet, maar hij was wel een zeer bedreven oplosser van damproblemen. Hij loste alles op uit De Problemist en uit de Zuid-Limburger. Jan Scheijen en hij waren goed bevriend en ze zochten elkaar regelmatig op.

In hoeverre Jan mede betrokken was bij de totstandkoming van het eerste probleem, weet ik niet, want Jan wist iedereen aan het componeren te krijgen, waarbij hij zelf doorgaans een flinke vinger aan de pols hield.

2. 37-31, 27-22, 50-44, 48x30, 16x7, 30-25, 25x21.

Jan Scheijen was de “godfather”, niet alleen van de Limburgse, maar ook van de Nederlandse damproblematiek. Honderden probleemliefhebbers kwamen bij hem over de vloer. Jan offerde er zijn vakantiedagen aan op en zijn vrouw Annie zorgde dat iedereen gastvrij werd ontvangen.

Helaas bleef hem weinig leed gespaard. Een gewelddadige handgemeen op de Kerkraadse kermis maakte een eind aan zijn carrière als politieagent; door de vaak hevige pijnen die zijn beschadigde voorhoofdsholte veroorzaakten, veranderde hij langzamerhand in een achterdochtige en zeurderige man. Annie overleed op slechts 49-jarige leeftijd en over die klap is Jan eigenlijk nooit goed heen gekomen. Hij bleef zijn troost zoeken in de damproblematiek en in het redigeren van diverse dambladen, waarvan Dam-Eldorado de belangrijkste was.

3. 49-44, 43-39, 39x17, 16x7, 26-21.

Over Lambert Waltmans heb ik al eens eerder geschreven. Hij was een markante man en een eigengereide speler. Niet alleen opende hij al zijn partijen met 31-26; hij ging ook zo snel mogelijk naar 21 en 25. Zijn tegenstanders kregen de indruk dat hij er niet veel van kon, maar- zo vertelde Frans Hermelink uit eigen ervaring- “na 35 zetten kwam ik erachter wat voor slim spelletje hij speelde”. Lambert speelde alleen maar op remise en in de nadelige standen die hij op het bord kreeg, was daarvoor grondige eindspelkennis een absolute noodzaak. Lambert heeft een paar honderd problemen gemaakt, waarvan een aantal de toets der kritiek kon doorstaan.

4. 18-13, 17-12, 22x44, 36x27, 21-17, 16x7, 27-21.

Bert Fermin geniet als de dichter Deen Engels grotere bekendheid dan als damproblemist. Soms hoor je jaren niets van hem en dan ineens stuurt hij een paar brieven na elkaar met zijn nieuwste vondsten. “Als je ze niet mooi vindt, gooi je ze maar weg”, schrijft hij er steevast bij. Berts stijl is heel herkenbaar en eigengereid. Zo is hij de enige in dit gezelschap die als laatste zet niet 26-21, maar 27-21 speelt. Met zijn wilde standen maakt hij geen vrienden onder de partijspelers, maar hij is de laatste die zich daarvan iets zal aantrekken.

5. 47-42, 49x38, 36-31, 34-30 (keus) 27-21 (36x22 gedwongen) 21x1, 24-19, 1x17, 16x7, 26-21. Dat had u zeker niet gedacht: Harry Velraeds als problemist. En hij presenteert een bovenmodaal probleem! Jammer dat zijn problematieke arbeid tot enkele pogingen beperkt is gebleven. Dat was een beetje het probleem van Harry. Hij heeft geweldige capaciteiten en leek zich indertijd aan te dienen als de natuurlijke opvolger van de onvergetelijke Piet Kuijpers. Hij kon goed organiseren, had een vlotte babbel en veel gevoel voor humor….en net als Piet kon hij heel goed zingen. Het kostte hem geen enkele moeite om een damblad te redigeren en daarvoor zelf de illustraties te maken. Zijn naam prijkte op een geheim lijstje van de K.N.D.B. Inderdaad bracht Harry het moeiteloos tot voorzitter van de P.L.D.B. maar als hij iets bereikt had, was hij er altijd weer snel op uitgekeken. Dat gold zeker voor de damproblematiek.

6. 12-8 (13x2 gedwongen) 41-36 (28x39A) 38-32, 36x7, 18-13, 30-24, 25x21. A(28x17) 38-32, 36x7, 18-13, 30-24, 25x21 en verrassend genoeg leidt ook de A-variant tot hetzelfde slot.

En dat had u zeker niet voor mogelijk gehouden: John Lewkowicz als problemist. Ik weet nog dat hij, in de tijd dat hij als gastlid bij Schaesberg meespeelde in de landelijke competitie, me op een dag dit fraaie probleem liet zien. In die tijd loste John ook de problemen van de rubriek in Het Damspel op. Het is jammer dat John kennelijk niet voldoende regelmaat in zijn leven kon opbouwen om volledig tot zijn recht te komen.

7. 26-21, 32-28, 27x38, 25-20, 47x38, 20-15, 15x4, 4x40, 50x17.

Met zijn bewerking van het tweede motief toont Jan zijn vlekkeloze techniek. Het probleem dateert uit de beginjaren van de Kring voor Damproblematiek. Het werd in oktober 1943 geplaatst in de voorloper van De Problemist. We zien het doorlopen en slaan van 25 naar de vijandelijke damlijn. Als dat mijnenveld is overwonnen, blaast de dam zich vrijwillig op veld 40 weer op. Schijf 6 is bewaker en steunschijf.

8. 22-18, 19x8, 24-20, 8-3, 3x27, 26x17.

Aan Piet Jongeneelen bewaar ik dierbare herinneringen. Hij kwam oorspronkelijk uit Roosendaal, maar toen hij diep in de put zat, nadat zijn tweede vrouw (de eerste was op jonge leeftijd overleden) zelfmoord had gepleegd, wist Jan Scheijen hem naar Kerkrade te krijgen. Wekelijks kwam Piet bij mij over de vloer, hij verleende hand- en spandiensten bij het jeugddammen en hij paste zonodig op mijn kinderen. Helaas ontstond er een hevig conflict tussen Scheijen en hem en dat maakte mijn eigen positie, als beider vriend, er niet gemakkelijker op. Piet was heel spontaan, maar hij kon ook erg eigenwijs zijn. Op het terrein van de damproblematiek was hij dat ook. Hij trok zich niet veel aan van de bestaande regels en ging zijn eigen gang. Meestal maakte hij niet te moeilijke, maar puntige problemen, die door een groot deel van het publiek zeer op prijs werden gesteld.